Literaire maaltijden
In “Wat we kunnen weten” beschrijft Ian McEwan de zoektocht van Tom Metcalfe in 2119 naar de sonnettenkrans van Francis Blundy. Door ‘de grote overstroming’ van 2042 waren grote delen van Engeland, Europa, Afrika en Noord-Amerika onder water komen te staan. Nazaten van overlevenden, zoals Tom Metcalfe, hadden een bestaan opgebouwd op kleine eilanden. Hij is gefascineerd door het (literaire) leven in de periode 1990-2030 en kijkt terug op de tijd waarin de klimaatcrisis nog discutabel was, maar de eerste signalen van een wereldwijde ontwrichte maatschappij al zichtbaar waren en de bewapening zich op grote schaal verspreidde.
Interessant in dit boek zijn de relaties van de verschillende personen in de periode 1990-2030. De huwelijken zijn niet gespeend van seks en passie, maar romantisch zou ik ze niet willen noemen. Zo beschrijft McEwan dat Francis Blundy al zijn aandacht wijdt aan een postpakket dat net gebracht is en vergeet zijn vrouw Vivien te feliciteren met haar verjaardag, tot haar ongenoegen.
Een kleine honderd jaar later beleeft Metcalfe met zijn geliefde Rose een ontspannen romantiek totdat hij terugkomt na een langere afwezigheid. Relatieproblemen lijken bij McEwan onvermijdelijk. In hoeverre hij de emancipatie van de vrouw als nadeel ziet voor goede verhoudingen is me niet duidelijk.
Hij beschrijft Vivien als de klassieke vrouw die uit ‘liefde’ haar eigen idealen en ambities opgeeft voor een man. In dit geval een beroemde en geniale dichter, maar toch, waarom koos ze ervoor met hem op het platteland te gaan wonen in een grote sombere hofstede met 7000 boeken? Ze werd de secretaresse van haar man. Haar talent zette ze niet meer in voor een wetenschappelijke carrière maar voor tuinieren, het huishouden en het maken van heerlijke maaltijden. In het verhaal wordt door een vriend van Vivien geconcludeerd dat ze desondanks gelukkiger en fysiek fitter was dan hij.
Het boek begint met het boodschappenlijstje dat ze opstelt voor het diner de volgende dag ter ere van haar 54e verjaardag. Later wordt het bekend als het ‘Lauwerkransdiner’ naar aanleiding van de titel van het aan haar opgedragen gedicht: "A corona for Vivien". Hiervoor waren acht vrienden uitgenodigd. Na het eten werd door Francis Blundy de sonnettenkrans voorgedragen ter ere van zijn vrouw Vivien. Deze in 2100 verloren gewaande sonnettenkrans wordt als schitterend beoordeeld, een waar meesterwerk.
In het kader van ‘Literaire maaltijden’ volgen we de voorbereidingen voor de maaltijd. Tot mijn plezier worden deze en de receptuur van de verschillende gerechten door McEwan minutieus beschreven.
In het eerste hoofdstuk, het is oktober 2014, gaat Vivien naar de slager om ‘vijf paar onnatuurlijk vette, geplukte kwartels’ te halen, die ze ‘in repen spek gewikkeld’ wilde braden in ‘rode wijn met kruiden, samen met het eekhoorntjesbrood dat door een vriend was geplukt in de beukenbossen van de Chiltren Hills’. Op bladzijde 13 blijkt ze bij de groenteboer 4 kilo aardappelen voor in de oven gekocht te hebben en drie bloemkolen. ‘De roosjes zou ze klaarmaken in een grote paellapan met olijfolie, knoflook, fijngehakte groene pepertjes, ansjovis, kersttomaatjes, zwarte peper, tijm en broodkruimels.’ Hoofdstuk 3 (blz. 26) start met de aardappelen die Vivien aan het schillen is. Ze zijn van het ras ‘Rooster’. In Hoofdstuk 4 (blz. 37) doet Vivien olijfolie, peper en zout op de aardappels. Hierna gaat ze met de eerste gasten mee naar de grote woonkamer. Op bladzijde 39 keert Vivien terug naar de keuken om een salade te maken.
Helaas worden in het boek geen passages gewijd aan hoe het diner gesmaakt heeft. Op de ingrediënten af te gaan zou ik er wel van genoten hebben!
Reactie plaatsen
Reacties